Naar de inhoud
Knitting Mastery
Basis voor beginners

Leren breien voor beginners: de complete gids, stap voor stap

Door het team van Knitting Mastery11 min. leestijd

Handen die blauw garen breien op metalen breinaalden

In het kort

Om te beginnen met breien heb je één paar breinaalden van gemiddelde dikte nodig, glad en lichtgekleurd garen van gemiddelde dikte, een schaar en een wolnaald. Daarna leer je vier bewegingen: opzetten om steken op de naald te zetten, de rechte steek, de averechte steek en afkanten om de rand af te werken. Oefen ze op een klein proeflapje voordat je aan een eenvoudig eerste project begint, zoals een sjaal.

Elk breiwerk, van vaatdoekje tot trui, maak je met dezelfde vier bewegingen: opzetten, de rechte steek, de averechte steek en afkanten. Deze gids neemt je langs alle vier, in de volgorde waarin je ze leert, te beginnen met wat je moet kopen en hoe je je materiaal vasthoudt. Voor elke beweging is er een uitgebreide tutorial, hieronder gelinkt, voor als je gaat zitten om te oefenen.

Wat heb je nodig om te beginnen met breien?

Om te beginnen heb je maar vier dingen nodig:

  • Eén paar breinaalden van ongeveer 5 mm. Rechte naalden van zo'n 25 tot 35 cm lang zijn in het begin het makkelijkst te hanteren.
  • Eén bol glad, lichtgekleurd garen van gemiddelde dikte. Met zulk garen leer je veel makkelijker; hieronder lees je waarom.
  • Een kleine schaar om het garen door te knippen.
  • Een wolnaald: een grote, stompe naald met een oog dat groot genoeg is voor garen. Daarmee hecht je aan het eind de losse draadjes in je werk af.

Een paar extra's maken het leven makkelijker, maar kunnen wachten: steekmarkeerders (ringetjes die je om de naald schuift om een plek te markeren), een toerenteller en een haaknaald van gemiddelde dikte om gevallen steken te redden.

Zo kies je je eerste garen

Let op drie eigenschappen:

  • Een lichte kleur. Crème, lichtgeel, lichtblauw of lichtgrijs laten elke steek duidelijk zien. Donker garen verbergt de vorm van de lussen, waardoor je fouten moeilijk opmerkt.
  • Een gladde structuur. Glad garen laat elke steek zien en glijdt makkelijk over de naald. Laat pluizige, harige garens en effectgarens met knoopjes, lusjes of franjes liggen tot je wat meer zelfvertrouwen hebt.
  • Een gemiddelde dikte. Hoe dik een garen is, heet in Engelstalige patronen de weight. Garen van gemiddelde dikte, vaak aangeduid als 'worsted' of 'aran' of met het cijfer 4 in het diktesymbool, is dik genoeg om goed te zien en prettig vast te houden, maar dun genoeg om in een rustig tempo te breien.

Wol of een wolmengsel is vergevingsgezind, omdat het een beetje rekt en weer terugveert. Acryl is ook een goede keuze, en makkelijk in onderhoud. Puur katoen rekt nauwelijks, waardoor gelijkmatige steken in het begin lastiger zijn. Meer over vezels en het lezen van een banderol vind je in onze gids over het beste garen voor beginners.

Zo kies je je eerste breinaalden

Op de banderol (de papieren wikkel om de bol) staat welke naalddikte bij het garen past. Voor garen van gemiddelde dikte is dat meestal 4,5 tot 5,5 mm, dus 5 mm is een veilige middenkeuze.

Ook het materiaal maakt uit. Naalden van hout of bamboe hebben een beetje grip, waardoor steken er minder snel per ongeluk af glijden. Metalen naalden zijn glad en snel; dat is fijn als je handen eenmaal zeker zijn, maar glibberig zolang je nog leert.

Naalddiktes worden in de Verenigde Staten, in het Verenigd Koninkrijk en in landen met millimetermaten verschillend aangeduid. Onze gids over breinaaldmaten legt uit hoe die systemen zich tot elkaar verhouden.

Breitermen die je moet kennen voordat je begint

Deze woorden kom je in elke tutorial en elk patroon tegen:

Term Wat het betekent
Werkdraad De draad die aan de bol vastzit en waarmee je breit
Staart of draadeinde Het losse uiteinde van het garen, dat niet aan de bol vastzit
Steek Eén lus garen op de naald
Rij (in patronen: naald) Alle steken één keer van de ene naald naar de andere gebreid
Linkernaald De naald met de steken die nog gebreid moeten worden
Rechternaald De naald die de nieuwe steken opvangt
Goede kant (Engels: RS) De kant van het werk die je straks ziet aan het afgewerkte stuk
Verkeerde kant (Engels: WS) De achterkant, of binnenkant, van het werk

In Nederlandstalige patronen heet een rij meestal een naald. In onze uitleg schrijven we 'rij', zodat je die niet verwart met de breinaald zelf.

Zo houd je breinaalden en garen vast

Er zijn twee manieren van breien, en beide maken precies dezelfde steken:

  • De Engelse methode, in het Engels ook throwing ('gooien') genoemd: je houdt de werkdraad in je rechterhand en slaat hem met je rechterwijsvinger om de naald.
  • De continentale methode, ook picking ('pakken') genoemd: je houdt de werkdraad in je linkerhand en de rechternaald pakt hem op.

Deze gids en onze tutorials voor beginners leren je de Engelse methode. In Nederland en Vlaanderen is de continentale methode het gebruikelijkst. Geen van beide is 'juister'; haak je al, dan vind je het misschien leuk om later de continentale methode te proberen, omdat de draad dan in dezelfde hand ligt als bij het haken.

De naalden vasthouden

  1. Houd de naald met de steken in je linkerhand, van bovenaf, met je vingers er licht op, net onder de steken.
  2. Houd de lege naald op dezelfde manier in je rechterhand, of als een potlood, wat voor jou stabieler voelt.
  3. Ontspan je schouders en laat je ellebogen rusten. Je houdt de naalden vast, je knijpt er niet in.

Het garen vasthouden

De werkdraad heeft een beetje weerstand nodig terwijl hij door je vingers loopt, zodat al je steken even groot worden. Breiers noemen die weerstand de spanning (of draadspanning). Een eenvoudige manier om het garen vast te houden:

  1. Leg de werkdraad over je rechterwijsvinger, zodat hij van de naald over die vinger loopt.
  2. Leid hem onder je middelvinger en ringvinger door.
  3. Wikkel hem één keer losjes om je pink.

Het garen moet door je hand glijden als je eraan trekt, zonder te haperen of vast te lopen. Voelt deze manier onhandig, sluit je hand dan gewoon losjes om de draad. Er is niet één juiste manier, alleen een manier waarbij de draad gelijkmatig doorloopt.

De vier basisbewegingen van het breien

1. Opzetten: de eerste steken op de naald

Bij het opzetten maak je de eerste rij lussen waaruit je breiwerk groeit. Wij raden de kruisopzet aan (in het Engels long-tail cast-on): je gebruikt één naald, je krijgt een nette, licht rekbare rand en hij past bij de meeste beginnersprojecten. In grote lijnen:

  1. Meet een staart garen af die lang genoeg is voor al je steken.
  2. Maak een schuifknoop op de naald; die telt als je eerste steek.
  3. Houd de staart over je linkerduim en de werkdraad over je linkerwijsvinger, in de vorm van een katapult.
  4. Schep met de naald een lus van elke draad op om elke nieuwe steek te maken.

De volledige uitleg, ook over het afmeten van de staart, lees je in steken opzetten met de kruisopzet.

2. De rechte steek

De rechte steek is de basis van bijna alles wat je gaat maken. Met de werkdraad achter het werk (de kant die van je af wijst):

  1. Steek de rechternaald van links naar rechts in de voorkant van de eerste steek op de linkernaald.
  2. Sla de werkdraad tegen de klok in om de rechternaald.
  3. Haal de nieuwe lus naar je toe door de steek.
  4. Laat de oude steek van de linkernaald glijden.

De uitgebreide tutorial vind je in zo brei je de rechte steek.

3. De averechte steek

De averechte steek is het spiegelbeeld van de rechte steek: dezelfde steek, van de andere kant bekeken. Met de werkdraad vóór het werk:

  1. Steek de rechternaald van rechts naar links in de voorkant van de eerste steek.
  2. Sla de werkdraad tegen de klok in om de rechternaald.
  3. Duw de nieuwe lus naar achteren door de steek, van je af.
  4. Laat de oude steek van de linkernaald glijden.

De uitgebreide tutorial vind je in zo brei je de averechte steek.

4. Afkanten: de rand afwerken

Afkanten (in Engelstalige patronen bind off, in Britse patronen cast off) zet de laatste rij vast, zodat de steken niet kunnen uitrafelen, en geeft een nette bovenrand.

  1. Brei twee steken.
  2. Haal de eerste steek over de tweede heen en van de rechternaald af.
  3. Brei nog een steek en haal opnieuw over; herhaal dit tot het eind van de rij.
  4. Knip het garen door en haal het draadeinde door de laatste lus.

De uitgebreide tutorial vind je in zo kant je af.

Ribbelsteek of tricotsteek?

Combineer je de rechte en de averechte steek op verschillende manieren, dan krijg je verschillende breisels. Dit zijn de eerste twee die je maakt:

Ribbelsteek Tricotsteek
Zo maak je het Elke rij recht breien Eén rij recht, één rij averecht, en dat herhalen
Zo ziet het eruit Horizontale ribbels aan beide kanten Gladde V'tjes aan de voorkant, bobbeltjes aan de achterkant
Zo gedraagt het zich Blijft plat liggen; dik en zacht Glad en dunner; de randen krullen op
Geschikt voor Eerste sjaals, vaatdoekjes, randen Truien, mutsen en de meeste patronen

Voor ribbelsteek heb je alleen de rechte steek nodig; daarom is het het klassieke eerste breisel. Tricotsteek (in het Engels stockinette of stocking stitch) is het gladde breisel dat je op de meeste truien ziet. Je hebt er beide steken voor nodig, en het natuurlijke oprollen ervan wordt meestal tegengegaan met een rand in ribbelsteek of boordsteek.

Oefenen met een proeflapje

Een proeflapje is een klein vierkant breiwerk om mee te oefenen of iets uit te proberen. Het is de beste plek om fouten te maken: er staat niets op het spel, en je kunt het altijd uithalen en het garen opnieuw gebruiken.

  1. Zet 20 steken op.
  2. Brei elke rij recht tot het lapje ongeveer 5 cm hoog is. Dit is ribbelsteek.
  3. Tel je steken aan het eind van elke rij. Het moeten er altijd 20 zijn.
  4. Ga over op tricotsteek: brei een rij recht, dan een rij averecht, en herhaal dit nog eens 5 cm.
  5. Kant af.
  6. Bekijk je lapje goed. Zoek de ribbels, de V'tjes en de bobbeltjes, en let op steken die er anders uitzien dan hun buren.

Makkelijke eerste breiprojecten

Ziet je proeflapje er redelijk gelijkmatig uit, kies dan een eerste project dat plat en rechthoekig is en in ribbelsteek wordt gebreid:

  • Een sjaal: het klassieke eerste project, met veel oefening in rechte steken en zonder vormgeving.
  • Een vaatdoekje of washandje: klein en snel, zodat je al gauw iets af hebt. Vaatdoekjes brei je meestal van katoen, dat weinig rekt, dus neem de tijd voor je spanning.
  • Een haarband: een lange strook waarvan je de twee uiteinden aan elkaar naait.
  • Lapjes voor een deken: elk lapje is een proeflapje met een doel, dat je later aan de andere vastnaait.

Meer ideeën, in een logische volgorde, vind je in makkelijke breiprojecten voor beginners.

Veelvoorkomende beginnersproblemen en hoe je ze oplost

Je steken zitten te strak

Krijg je de naald maar moeilijk in je steken, dan zitten ze te strak. Meestal komt dat doordat je elke steek op de dunne punt van de naald vormt en de draad te stevig vasthoudt.

  • Schuif elke nieuwe steek naar het volle, dikke deel van de rechternaald voordat je verdergaat. Een steek krijgt de dikte van het deel van de naald waarop hij wordt gevormd.
  • Ontspan je greep, zodat de draad door je vingers glijdt.
  • Trek niet na elke steek aan de draad; een licht trekje is genoeg.
  • Zit alleen de opzetrij te strak, zet dan op met een naald die één of twee maten dikker is.

Er komen steeds steken bij

Begon je met 20 steken en heb je er nu 22, dan is meestal een van deze dingen de oorzaak:

  • Aan het begin van een rij is de werkdraad omhoog en over de naald getrokken, waardoor de eerste steek twee lussen liet zien en je ze allebei hebt gebreid. Laat de draad in plaats daarvan recht naar beneden hangen vanaf de eerste steek.
  • Tussen een rechte en een averechte steek is de draad over de rechternaald gelegd in plaats van tussen de twee naaldpunten door, waardoor er een lus bij komt.
  • Een draadje tussen twee steken, of een gespleten steek, is gebreid alsof het een steek was.

Tel je steken aan het eind van elke rij, dan ontdek je het probleem op tijd. Om terug te gaan, kun je steken één voor één terugbreien; onze tutorial over de rechte steek legt uit hoe.

Je hebt een steek laten vallen

Een gevallen steek is een lus die van de naald is gegleden zonder te zijn gebreid. Laat je hem zitten, dan loopt hij rij na rij naar beneden uit en ontstaat er een verticale ladder. Trek niet aan je werk. Steek een veiligheidsspeld of een sluitbare steekmarkeerder door de losse lus, zodat hij niet verder kan uitlopen, en volg dan onze uitleg over het ophalen van een gevallen steek: daarin zie je hoe je hem met een haaknaald weer omhoog werkt.

Je weet niet meer waar je was

  • Brei de rij af voordat je je breiwerk neerlegt, als dat kan.
  • Houd het bij. Gebruik een toerenteller, of zet aan het eind van elke rij een streepje op papier.
  • Markeer de goede kant met een sluitbare steekmarkeerder of een veiligheidsspeld in het breisel, zodat je altijd weet welke kant naar je toe wijst.
  • Lees je breiwerk. In ribbelsteek staat elke ribbel voor twee rijen. In tricotsteek is de kant met de V'tjes de rechte kant.

Wat je hierna leert

Kun je opzetten, recht en averecht breien en afkanten, dan heb je de hele basis van het breien in handen. De volgende vaardigheid is een breipatroon lezen: de afkortingen en afspraken waarmee je elk ontwerp kunt volgen. Daarna komen meerderen en minderen, de technieken waarmee je steken toevoegt en weghaalt om je breiwerk vorm te geven.

Ben je klaar voor een vaste leerweg, dan stelt Begin hier een volgorde voor om in te leren, en in de bibliotheek vind je onze boeken en videocursussen.

Veelgestelde vragen

Kun je jezelf leren breien?

Ja. Breien bestaat uit een klein aantal bewegingen die je rij na rij herhaalt, en die kun je thuis leren met duidelijke, geschreven stappen en een proeflapje. Werk rustig, tel je steken aan het eind van elke rij en reken erop dat je eerste rijen er ongelijk uitzien.

Welke breinaalden en welk garen gebruik je het best als beginner?

Glad, lichtgekleurd garen van gemiddelde dikte (vaak aangeduid als worsted of aran, diktecategorie 4) met naalden van ongeveer 5 mm is een prettig begin. Op de banderol van het garen staat ook welke naalddikte erbij past.

Kan ik beter Engels of continentaal leren breien?

Allebei is prima, en beide methoden maken precies dezelfde steken. Bij de Engelse methode slaat je rechterhand de draad om de naald; bij de continentale methode houdt je linkerhand de draad vast. Deze gids leert de Engelse methode. Haak je al, dan voelt continentaal breien later misschien vertrouwd, omdat de draad dan in dezelfde hand ligt.

Wat is het makkelijkste om als eerste te breien?

Een sjaal in ribbelsteek of een vaatdoekje. Allebei zijn het platte rechthoeken die je alleen met rechte steken breit, zonder vormgeving, zodat je je helemaal kunt richten op gelijkmatige steken.

Wat is het verschil tussen ribbelsteek en tricotsteek?

Ribbelsteek brei je door elke rij recht te breien; aan beide kanten zie je ribbels en het breisel blijft plat liggen. Bij tricotsteek wissel je een rij recht en een rij averecht af; aan de voorkant zie je gladde V'tjes, aan de achterkant bobbeltjes, en de randen krullen snel op.

Verder leren