Naar de inhoud
Knitting Mastery
Patronen en projecten

Makkelijke eerste breiprojecten die echte vaardigheden opbouwen

Door het team van Knitting Mastery8 min. leestijd

Een paar handgebreide grijze sokken met rode hielen en tenen op een houten vloer

In het kort

Begin met een vaatdoekje in ribbelsteek, dan een sjaal in ribbelsteek, daarna een col en een muts die je op een rondbreinaald rondbreit, gevolgd door eenvoudige dekenlapjes en polswarmers. Elk project voegt een of twee nieuwe vaardigheden toe, zoals een nieuwe bol aansluiten, boordsteek of minderen. Sokken of een eenvoudige top-down trui zijn mooie volgende mijlpalen zodra dit allemaal vertrouwd voelt.

De beste eerste projecten zijn klein, plat en vergevingsgezind, en elk project leert je iets wat het vorige je niet leerde. Volg de volgorde hieronder en je leert de kernvaardigheden van het breien een voor een, terwijl je bij elke stap iets bruikbaars afmaakt.

Zo kies je je eerste patroon

Zoek een patroon dat:

  • alleen rechte en averechte steken gebruikt, in ribbelsteek (elke rij recht) of tricotsteek (een rij recht, een rij averecht);
  • garen van gemiddelde dikte voorschrijft, vaak aangeduid als worsted of aran;
  • van begin tot eind één naalddikte gebruikt;
  • een eenvoudige vorm heeft, zoals een vierkant of een rechthoek, met weinig of geen vormgeving;
  • als 'beginner' of 'makkelijk' is aangeduid en duidelijke, geschreven instructies heeft.

Bewaar kleurwerk, kabels en kantpatronen voor later. Ze geven veel voldoening, maar je geniet er meer van zodra de basis vanzelf gaat. Zijn afkortingen nieuw voor je, houd dan onze uitleg over een breipatroon lezen ernaast open.

1. Een vaatdoekje of washandje

Een klein vierkant in ribbelsteek, van ongeveer 20 cm aan elke kant.

Wat het je leert:

  • opzetten en afkanten;
  • een rustige, ontspannen rechte steek;
  • rijen tellen: in ribbelsteek staat elke ribbel voor twee rijen;
  • je randen recht en je aantal steken gelijk houden;
  • draadjes afhechten, dus de losse draadeinden met een naald onzichtbaar in de achterkant van het breisel wegwerken.

Wat je nodig hebt:

  • één bol garen van gemiddelde dikte. Katoen is traditioneel, omdat het goed absorbeert, maar wol of acryl is vergevingsgezinder voor een allereerste poging;
  • naalden in de dikte die op de banderol wordt aanbevolen;
  • een wolnaald, een stompe naald met een groot oog.

Heb je een gewoon vierkant gemaakt, probeer dan een diagonaal vierkant, dat je vanuit een hoek begint. Het groeit elke rij met één steek en wordt daarna weer smaller, waardoor je kennismaakt met eenvoudig meerderen en minderen.

2. Een sjaal in ribbelsteek

Een lange rechthoek in ribbelsteek, meestal ongeveer 15 tot 20 cm breed.

Wat het je leert:

  • een gelijkmatige spanning over veel rijen. Waarschijnlijk zie je je steken gaandeweg gelijkmatiger worden; dat is vooruitgang, geen fout;
  • een nieuwe bol garen aansluiten;
  • je werk opmeten terwijl het groeit.

Wat je nodig hebt:

  • garen van gemiddelde dikte of bulky garen, van wol of een zacht wolmengsel; het patroon vertelt je hoeveel;
  • naalden in de dikte die op de banderol wordt aanbevolen;
  • een centimeter en een wolnaald.

Zo sluit je een nieuwe bol aan bij de rand

  1. Is het resterende garen korter dan ongeveer vier keer de breedte van de sjaal, maak dan de rij af waar je mee bezig bent.
  2. Knip het oude garen af en laat een draadeinde van ongeveer 15 cm hangen.
  3. Houd het nieuwe garen vast, met een draadeinde van ongeveer 15 cm dat aan de rand hangt.
  4. Brei de eerste steken van de volgende rij met het nieuwe garen.
  5. Trek voorzichtig aan beide draadeinden om de eerste steek mooi aan te trekken.
  6. Is de sjaal klaar, hecht dan elk draadeinde met de wolnaald af in de rand.

Leg geen knopen midden in het breisel; die kunnen naar de voorkant doorwerken.

3. Een col, daarna een muts, op een rondbreinaald

Begin met een col, een eenvoudige buis zonder vormgeving. Brei daarna een muts, waarbij je ook de kruin vorm geeft.

Wat ze je leren:

  • rondbreien: de steken tot een cirkel sluiten en in toeren breien, zonder te keren;
  • tricotsteek in het rond, wat betekent dat je elke toer recht breit, zonder averechte rijen;
  • boordsteek, zoals 2 recht, 2 averecht (in Engelse patronen k2, p2), die rekt en mooi om het hoofd sluit;
  • minderen voor de kruin door twee steken recht samen te breien (in Engelse patronen k2tog);
  • overstappen op een naaldenspel of de magic-loopmethode als de kruin smaller wordt.

Wat je nodig hebt:

  • wol of een wolmengsel van gemiddelde dikte, dat warm is en rekt;
  • een rondbreinaald in de maat van je garen: 40 cm voor de muts, en voor de col een naald die iets korter is dan de omtrek van de col. Sommige patronen vragen ook om een naald die een maat dunner is voor de boordsteek;
  • voor de kruin een naaldenspel in dezelfde maat, of een rondbreinaald van 80 cm of langer voor magic loop;
  • een steekmarkeerder voor het begin van de toer, en een wolnaald.

Zo sluit je de steken in de rondte zonder te draaien

  1. Zet het aantal steken op dat het patroon vraagt.
  2. Verdeel de steken over de naald en de kabel.
  3. Controleer of de onderrand van de opzet de hele omtrek rond naar het midden van de cirkel wijst, zonder om de kabel heen te draaien.
  4. Plaats een steekmarkeerder op de punt van de rechternaald.
  5. Brei de eerste steek op de linkernaald, trek het garen goed aan en brei verder in de rondte.

Om de kruin vorm te geven, mindert een mutspatroon in elke minderingstoer op een aantal gelijkmatig verdeelde plekken, bijvoorbeeld "*6 r, 2 r samenbreien; herhaal vanaf * tot het eind" (in Engelse patronen "*k6, k2tog; rep from * to end"), en in de volgende minderingstoer "*5 r, 2 r samenbreien; herhaal vanaf *", met telkens één steek minder tussen de minderingen. Zijn er nog maar een paar steken over, knip het garen dan af, rijg het met de wolnaald door de overgebleven steken en trek het dicht.

4. Eenvoudige dekenlapjes

Kleine lapjes, allemaal even groot, die je aan elkaar naait tot een deken, of tot een kussenhoes als je liever eerder stopt.

Wat ze je leren:

  • nieuwe steekpatronen van rechte en averechte steken in kleine porties, zoals gerstekorrel, boordsteek en een mandpatroon (basketweave);
  • dezelfde stekenverhouding aanhouden, dus hetzelfde aantal steken en rijen per 10 cm, zodat elk lapje even groot wordt;
  • blocken: elk lapje nat maken of stomen en het plat op zijn uiteindelijke maat laten drogen;
  • in elkaar naaien, bijvoorbeeld met de matrassteek, een bijna onzichtbare naad.

Wat je nodig hebt:

  • garen van gemiddelde dikte, allemaal van dezelfde dikte en vezel zodat de lapjes bij elkaar passen, en per kleur genoeg uit één verfbad;
  • één paar breinaalden;
  • een centimeter en een wolnaald.

Elk lapje is een klein project dat je in een of twee keer kunt afmaken; zo voelt een groot werkstuk nooit overweldigend.

5. Polswarmers

Korte buizen voor je handen, met een opening voor de duim.

Wat ze je leren:

  • kleine buizen breien op een naaldenspel of met de magic-loopmethode;
  • een duimopening maken, door een paar rijen heen en weer te breien zodat er een spleet ontstaat, of, in patronen met meer vorm, door te meerderen voor een duimspie (een wigvormig stuk met extra steken) met meerderingen uit de dwarsdraad die naar links en naar rechts hellen (in Engelse patronen m1L en m1R);
  • steken op een hulpdraad zetten om ze te bewaren, en ze daarna weer opnemen;
  • een bijpassend paar maken, waarbij je leert precies te noteren wat je de eerste keer hebt gedaan.

Wat je nodig hebt:

  • dunner of gemiddeld dik garen, zoals DK of worsted, van wol of een wolmengsel;
  • een naaldenspel of een lange rondbreinaald in de maat die het patroon aangeeft;
  • steekmarkeerders, een hulpdraad en een wolnaald.

Je kunt polswarmers tussendoor passen, waardoor ze een zachte kennismaking zijn met pasvorm.

6. Volgende mijlpalen: sokken of een eenvoudige top-down trui

Voelen polswarmers vertrouwd, dan ben je klaar voor een grotere stap.

Sokken in de klassieke opbouw van boord naar teen (cuff-down) leren je een manchet in boordsteek, de hielklep en het draaien van de hiel met verkorte naalden (gedeeltelijke rijen die een kommetje vormen), steken opnemen voor de spie, minderen voor de teen en die naadloos sluiten met de maassteek (Kitchener stitch). Sokken worden meestal gebreid van dun garen op dunne naalden, vaak rond 2,25 tot 2,75 mm. Een eerste paar van dikker DK- of worstedgaren is sneller klaar en laat je de opbouw leren voordat je aan de fijne versie begint.

Een eenvoudige top-down trui, meestal een raglantrui, waarbij de mouwen langs diagonale lijnen van hals tot oksel aan het lijf vastzitten, brei je in één stuk van de halsrand naar beneden, bijna zonder naaiwerk. Je leert meerderen langs de raglanlijnen, mouwsteken op een hulpdraad zetten en het lijf en de mouwen rondbreien. Bovenal leer je een maat kiezen aan de hand van de maten van het afgewerkte stuk en zorgvuldig een proeflapje breien voor de stekenverhouding. Omdat je van boven begint, kun je de trui tussendoor passen.

Hoe weet je dat je klaar bent voor het volgende project?

Je hebt geen perfecte steken nodig om verder te gaan. Je bent er klaar voor als:

  • je rechte steken (V'tjes) en averechte steken (bobbeltjes) uit elkaar kunt houden door naar je breisel te kijken;
  • je steken en rijen kunt tellen zonder de draad kwijt te raken;
  • je een gevallen steek kunt ophalen of een paar steken kunt terugbreien om een fout te herstellen;
  • je spanning grotendeels gelijkmatig is en je randen redelijk recht zijn;
  • je het vorige project hebt afgemaakt, en het volgende je eerder nieuwsgierig maakt dan overweldigt.

Mik op een of twee nieuwe vaardigheden per project. Introduceert een patroon veel nieuwe technieken tegelijk, kies dan eerst een eenvoudiger patroon, of oefen de nieuwe techniek op een klein proeflapje.

Wat je hierna leert

Kies voordat je opzet je garen met onze gids over garen voor beginners en raak vertrouwd met een breipatroon lezen. Voor complete projecten die stap voor stap worden uitgelegd, kun je de boeken en cursussen in de bibliotheek bekijken.

Veelgestelde vragen

Wat is het makkelijkste om te breien als beginner?

Een vaatdoekje of washandje in ribbelsteek: een klein vierkant dat je alleen met rechte steken breit. Het is snel af en je leert er opzetten, recht breien, rijen tellen en afkanten mee.

Is een sjaal een goed eerste breiproject?

Een sjaal in ribbelsteek is een goed eerste of tweede project. Omdat een sjaal lang is, kun je beter eerst een klein vaatdoekje breien: dat is sneller af en geeft je meer oefening voordat je aan de sjaal begint.

Wanneer kan een beginner een muts breien?

Zodra je vlot recht en averecht breit en een of twee platte projecten hebt afgemaakt. Een muts laat je kennismaken met rondbreien, boordsteek en minderen, en is daarmee een logisch derde project.

Zijn sokken moeilijk om te breien voor beginners?

Sokken zijn niet moeilijk, maar ze combineren een aantal technieken: dunne naalden, dun garen, een hiel en een teen die je met de maassteek sluit. Ze zijn een mooi doel als je al een muts en een paar polswarmers hebt gebreid.

Verder leren